Het is van belang dat we meer procesmatig gaan denken. Vanuit de plant, in plaats van vanuit de middelen.” In die uitspraak kan Matthijs Spriensma, topteler van pootaardappelen in het Groningse Roodeschool, zich goed vinden. “Elke plant kent gedurende het groeiseizoen een aantal beslissende momenten. Voor de pootaardappel kun je dat verdelen in opkomst, wortelvorming en aanleg stolonen, knolvulling en afrijping. Op elk van die momenten heeft de plant bepaalde behoeften. Als je weet welke dat zijn en in welke hoeveelheden, kun je het groeiproces steeds beter sturen en verspil je geen dure middelen.”
Matthijs is in gesprek met Cor Eldering, senior groeispecialist bij Van Iperen, over de inzet van biostimulanten in de pootaardappelen. Cor: “Van belang is dat de bodem in orde is, en dat heeft Matthijs hier heel goed voor elkaar. We zetten daarom in op de hoogst mogelijke doelstelling: 80 tot 85 knollen per vierkante meter.”
Matthijs: “Een aantal jaren geleden vestigde zich hier een rundveehouder met een stal voor tweehonderd koeien en 40 hectare land. Toen dacht ik wel, hier is meer grond voor nodig, daarvoor is de verhouding te scheef. Ik heb hem gebeld en voorgesteld om samen te gaan werken. Na een korte bedenktijd stemde hij daarmee in. We hebben toen alle grond op één hoop gegooid. Ik teel per perceel een keer in de drie jaar pootaardappelen, de andere twee jaar groeit er gras. Samen hebben we nu negentig hectare. Bij mij gaat het dus om 30 hectare pootaardappelen. Met dertien rassen, verdeeld over 48 perceeltjes. Twee seizoenen gaan ze hier de grond in. Daarna gaan ze naar een andere akkerbouwer om de aardappelen verder af te telen.”
Beide bedrijven hebben veel profijt van de samenwerking. “Moet je ieder jaar land huren, dan weet je nooit helemaal zeker hoeveel je kunt krijgen en hoe het gesteld is met de bodem. Onze aanpak zorgt voor zekerheid. En we hebben allebei meer land ter beschikking.” Belangrijker nog voor beide bedrijven, is dat de bodem enorm profiteert van deze samenwerking. “Ik heb maar weinig stikstof nodig, die ruimte kunnen we dan gebruiken in onze verdere rotatie. Hij heeft daardoor beter en meer gras, wat zorgt voor een hogere melkproductie. En ik heb meer knollen, die ook nog eens van een hogere kwaliteit zijn. Op deze manier teel je elkaar naar een hoger plan. En je merkt dat de grond mee gaat werken.”
Lang leek het erop dat Matthijs geen aardappelteler zou worden. Zijn vader zat in de consumptieaardappelen en dat boeide hem minder. In de zomer ging hij vaak helpen bij een collega teler, die met pootaardappelen werkte. “Hij hield zich bezig met stamselectie en dat vond ik veel interessanter.” Na anderhalf jaar bij een sorteerbedrijf in Hedel en zeven jaar bij Agrico gewerkt te hebben, keerde Matthijs in 2003 terug op de boerderij. Daar lag uiteindelijk toch zijn passie. “Ik heb veel geleerd over wat ik wil, en vooral wat ik niet wil.” Cor: “Kenmerkend voor de manier van werken van Matthijs is dat hij altijd op zoek is naar het hoogst haalbare.” Matthijs: “Dat klopt. En dat doe ik het liefst in de pootaardappelen.”
Om hoogwaardig pootgoed te kunnen leveren, moet je volgens Matthijs heel precies, netjes, schoon en kritisch zijn. Alleen dan kun je voor het hoogst haalbare gaan. “Ik controleer altijd alles. Ik kan me niet permitteren dat ik een zieke plant over het hoofd zie. Heb je eenmaal ziekte in een partij, dan komt dat jaren later dubbel en dwars terug bij de akkerbouwer die jouw pootgoed afneemt.” Cor: “De teelt van pootaardappelen is topsport. Daar zijn we in Nederland, vooral in deze streek van het land, heel goed in.” Nadat Matthijs een periode samen met zijn broer het ouderlijk bedrijf runde, zijn ze vanaf 2010 hun eigen weg gegaan. Matthijs, die zich uitsluitend op pootgoed ging richten, heeft zijn bedrijf inmiddels verder uitgebouwd. Eerst met een grote bewaarloods en later ook met een eigen sorteerinstallatie. Inmiddels wordt zijn hoge kwaliteit pootgoed al jaren uitgeleverd aan collega pootgoedtelers.
“Op een gegeven ogenblik heb ik mezelf afgevraagd hoe het nog beter kon. Kan ik de stijgende lijn die ik te pakken had ook vasthouden? Hoe kan ik nog meer knollen produceren per strekkende meter? Via collega telers kwam ik niet verder. Toen ontmoette ik Cor Eldering van Van Iperen. Met hem klikte het meteen. In tegenstelling tot veel andere bedrijven merk je dat ze bij Van Iperen echt met je samen willen werken. Dat brengt je verder.” Cor: “Omdat de kwaliteit hier al zo hoog is, vraagt het veel meer inzet om nog te kunnen groeien. Sta je een onvoldoende, dan is het niet zo moeilijk om op een 6 uit te komen. Hier op dit bedrijf gaat het over een 8,5 waar je graag een 9 van wilt maken. En dat is moeilijk. De hoofdlijnen kennen we allemaal wel, maar hier gaat het om de laatste details.”
Matthijs: “Ik ben niet iemand die zomaar van alles gaat uitproberen, onder het mom van ‘baat het niet, dan schaadt het niet’. Dat is nutteloos en daar zijn de middelen over het algemeen genomen ook te duur voor. Wat je doet, moet aantoonbaar nut hebben. Ik ben daarom eerst teruggegaan naar de basismeststoffen. Het gaat dan om de vraag wat er op welk moment in de plant gebeurt en wat ervoor nodig is om dat te stimuleren. Plantsapanalyses zijn daarbij heel belangrijk, zodat je elk moment bij kunt sturen. Cor weet heel veel van de processen in planten. Dat is een echte vakman. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik hier veel bewuster over ben gaan nadenken.” Cor: “Ik zeg altijd: denk plant! Met andere woorden: hoe maak je plantjes blij? Dat begint natuurlijk met de bodem. Die moet in orde zijn. Een tweede belangrijke vraag: is de bodemvoorraad ook op tijd beschikbaar voor de plant? De bodem moet op tijd kunnen leveren.”
“Op basis van de beslissende groeimomenten hebben we nu een plan van aanpak gemaakt. Daarin spelen meststoffen, maar ook biostimulanten een belangrijke rol. Die laatsten zorgen er onder andere voor dat nutriënten op het juiste moment beschikbaar komen voor de plant, en dus efficiënt gebruikt worden. Daarnaast verhogen deze middelen de plantkwaliteit en bieden ze meer bescherming tegen allerlei abiotische stressfactoren. Neem het moment dat de plant haakjes aanmaakt; dat is een bijzonder cruciaal stadium. Gaat het daar niet goed, dan heeft dat meteen consequenties voor de wortelvorming en dus ook voor het aantal knollen. Het is geweldig belangrijk om op die momenten de plant blij te maken.” Omdat biostimulanten vooral preventief ingezet moeten worden, is het des te belangrijker dat de akkerbouwer weet wat er in de plant speelt. Cor: “Als je weet in welk stadium een plant zich bevindt en met welke st ressfactoren die te maken krijgt, weet je ook tijdig de juiste biostimulanten in te zetten.”
Hoewel Matthijs overtuigd is van het nut van biostimulanten, verwacht hij dat het effect van die middelen nauwelijks meer te bewijzen valt. “We moeten hier zeker mee verder. En tegelijkertijd heel actief kijken wat er precies gebeurt. Door plantsapanalyses en door vaker planten uit de grond te trekken. Want daar in de grond gebeurt het. Dat we het op een of andere manier goed doen, wordt wel bewezen door het feit dat we zelfs in deze droge zomer veel knollen tellen. En dat terwijl we hier niet mogen beregenen.” Cor: “We staan nog aan het begin. Met de proeven die we als bedrijf doen moet dat verder ontwikkeld worden. Biostimulanten spelen daarin een belangrijke rol. Letterlijk genomen zijn het middelen waarmee we het leven stimuleren. Tegelijkertijd moeten we bedenken dat de precieze werking op celniveau nog niet helemaal duidelijk is. Bodem, gewas en klimaat zijn daarin belangrijk. Maar een ding is zeker: alles wat je aandacht geeft, groeit!”