Deze week komen de onderwerpen bladschimmels in suikerbieten, MH-bespuiting en loofdoding in aardappelen en wortelonkruiden in stoppel aan bod in het teeltadvies.
In verschillende percelen suikerbieten komt roest en/of cercospora voor. Wanneer de eerste aantasting in het perceel wordt waargenomen is het advies om te beginnen met de bladschimmel bespuitingen. De beste middelen om mee te beginnen zijn Propulse 1,20 ltr/ha of Diadem 1,00 ltr/ha.
Voor een goede vitaliteit van het gewas is het verstandig om bij het spuiten van de fungicides nog een bladmeststof toe te voegen. Uit proeven over meerdere jaren zien we goede resultaten op het gebied van plantvitaliteit wanneer aan de bespuiting Powerleaf Koper Zwavel 2,50 ltr/ha wordt toegevoegd.
Product
Powerleaf Koper Zwavel (Cu S) is een meststof die via het blad kan worden toegediend. Opname van koper door het gewas via de bodem is niet gemakkelijk. Een groot deel van in de bodem aanwezig koper is slecht of niet opneembaar. Koper speelt met name een rol bij de aanmaak van koolhydraten en eiwitten. Het is daarom van belang dat het gewas over voldoende koper kan beschikken.
Koper en zwavel verhogen de plantweerbaarheid
De verhoogde plantweerbaarheid kan ingezette fungiciden in hun beschermende functie ondersteunen
Twee belangrijke voedingselementen in de juiste verhouding als kant en klaar product
De timing voor een goed geslaagde MH bespuiting is elk jaar lastig, maar dit jaar vraagt het bepalen van het juiste spuitmoment nog meer aandacht. Qua gewas is het belangrijk dat de knollen voldoende groot zijn. Wanneer de bespuiting wordt uitgevoerd op een gewas met te kleine knollen, zullen de kleinere knollen na de bespuiting onvoldoende doorontwikkelen. Knollen onder de 35 mm groeien na de MH-bespuiting niet meer verder. Rooi daarom voor het bepalen van het juiste moment altijd een aantal planten op om te controleren of het gewas qua maatsortering aan de bespuiting toe is.
Voor een geslaagde bespuiting is het belangrijk dat het middel goed in de planten wordt opgenomen en richting de knollen wordt verdeeld. Voor een goede opname moet de bespuiting op een vitaal en groeiend gewas uitgevoerd worden. Bij een luchtvochtigheid onder de 70% en temperaturen boven de 25 ⁰C zal de opname van MH onvoldoende zijn.
Na de bespuiting met MH moet een gewas nog 3-5 weken groen blijven om de werkzame stof goed richting de knol te transporteren. Wanneer een gewas door de schrale omstandigheden van de afgelopen tijd al ver afgetakeld is, en de verwachting is dat het geen drie weken meer groen zal staan, is het beter om geen MH bespuiting uit te voeren, dan de bespuiting uit te voeren bij slechte omstandigheden waarbij het resultaat tegen zal vallen.
Wanneer het gewas er aan toe is, en de omstandigheden gunstig zijn, spuit dan de aardappelen met Crown MH 11,00 ltr/ha of Royal MH 5,00 kg/ha. Voer deze bespuiting uit met veel water op een moment dat er minimaal 10 uur geen neerslag valt. Combineer deze bespuiting niet met andere bespuitingen, om zo de opname van de MH zo optimaal mogelijk te laten zijn.
Hoewel het nog vroeg lijkt, zijn verschillende (poot)aardappelpercelen al toe aan de loofdoding. Omdat de knollen na een bespuiting met een loofdodingsmiddel nog 5-7 dagen door groeien, is het belangrijk om het moment van loofdoden goed te timen, zeker in pootgoed of in tafelaardappelen met specifieke eisen wat betreft sortering. Naast een bespuiting met Quickdown of Spotlight Plus kan bij het loofdoden ook gebruikt worden gemaakt van klappen of looftrekken.
In een strategie met alleen spuiten kan het gewas ‘open’ worden gespoten met Quickdown 0,80 ltr/ha + Tipo 2,00 ltr/ha. 5-7 dagen na de eerste bespuiting kan dan een bespuiting worden uitgevoerd met Spotlight Plus 1,00 ltr/ha + Tipo 2,00 ltr/ha. Spotlight plus is sterk op het afdoden van de stengels, nadat het gewas ‘open’ gespoten is. Wanneer na de eerste twee bespuitingen nog groene delen op de plant zitten, en nog een bespuiting nodig is, kan dit met Afinity Plus 1,00 ltr/ha + Tipo 2,00 ltr/ha.
Wanneer gebruik gemaakt wordt van klappen of looftrekken kan de eerste bespuiting worden uitgevoerd met Quickdown 0,80 ltr/ha + Tipo 2,00 ltr/ha. 5-7 dagen na de eerste bespuiting kan de geklapt of loofgetrokken worden. 5-7 dagen na het mechanisch vernietigen van het loof kan dan nog een volveldsbespuiting worden uitgevoerd met Spotlight Plus 1,00 ltr/ha + Tipo 2,00 ltr/ha. In plaats van een volvelds bespuiting kan ook gekozen worden voor een rijenbehandeling met Spotlight Plus 0,50 ltr/ha + Tipo 2,00 ltr/ha
Voeg bij het uitvoeren van de loofdoding altijd Ranman Top 0,50 ltr/ha toe om het gewas goed te blijven beschermen tegen onder andere knolphytophthora. De werking van Quickdown en Spotlight Plus is het beste wanneer deze vroeg op de dag worden gespoten. Wanneer na de bespuiting minimaal 3 uur daglicht op het gewas komt, kan het middel goed worden opgenomen in de plant.
Op veel percelen zijn wortelonkruiden aanwezig. Wanneer wortelonkruiden problemen vormen in het perceel is het verstandig om geen groenbemester op zo’n perceel te zaaien. Op die manier worden de mogelijkheden om wortelonkruid te bestrijden maximaal benut. Wanneer geen groenbemester gezaaid wordt, kan het wortelonkruid goed ontwikkelen en kan op het moment van spuiten het wortelonkruid ook goed geraakt worden.
Wanneer de druk van wortelonkruid hoog is, kan na de oogst op goed groeiend wortelonkruid een bespuiting worden uitgevoerd met Roundup Dynamic 3,20 ltr/ha + 2,4-D amine 2,00 ltr/ha. Met deze bespuiting kunnen wortelonkruiden als akkermelkdistel goed bestreden worden.
Nu de eerste gewassen zijn geoogst wordt vaak direct daarna een groenbemester gezaaid. Op veel percelen zijn er echter grote problemen met wortelonkruiden. Dit neemt de laatste jaren alleen maar toe. We zien dat de bestrijding van wortelonkruiden in graangewassen niet of niet volledig lukt. Een bestrijding na de oogst van het hoofdgewas is onmisbaar om de druk van wortelonkruid onder controle te krijgen. Zaai dus niet standaard een groenbemester maar kies op percelen met meer wortelonkruid voor een bestrijding in de zomer/najaar. Laat de stoppel liggen zodat het wortelonkruid weer kan groeien en geef eventueel een kleine N-gift bij een graanstoppel voor betere ontwikkeling. Later kan dan een bespuiting volgen. De effectiviteit hiervan blijkt duidelijk groter te zijn dan alleen het bestrijden tijdens de teelt van het graangewas. In een aantal gevallen (b.v. bij NKG of voorjaarsploegen) kan later in het najaar, als de wortelonkruidbestrijding achter de rug is, alsnog een groenbemester gezaaid worden. Houdt dan wel rekening met de kans op nawerking van groeistoffen.
Weten welke groenbemester het best bij uw perceel past? Lees onze groenbemesterfolder.
Fysiologie
Biologie
Mengels
Zaaien
Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit bericht mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.