Leer in dit artikel meer over de biologie van verschillende biologische bestrijders in uw boomgaard.
Natuurlijke vijanden spelen een belangrijke rol in de beheersing van plagen in de fruitteelt. Hun effectiviteit hangt samen met hun levenscyclus, voedselvoorkeur, gevoeligheid voor gewasbeschermingsmiddelen en de manier waarop ze zich in en rond het perceel handhaven. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste groepen natuurlijke vijanden en hun biologische kenmerken.
Oorwormen zijn vooral preventief actief. Ze hebben één generatie per jaar en leggen één tot maximaal twee keer eieren. De populatie groeit niet mee met een hogere plaagdruk.
Oorwormen zijn alleseters. Nimfen eten onder andere kleine insecten, mijten, schimmels en algen. Ook dood plantenmateriaal en kleine insecten dienen als voedsel. Bij hoge aantallen kunnen oorwormen ook bloemen, bladeren en fruit aanvreten.
De eieren worden in het voorjaar in de bodem afgezet, meestal op 4 tot 7 cm diepte en niet in de buurt van een plaag. Oorwormen zijn weinig gevoelig voor gewasbeschermingsmiddelen. Gefaseerd maaibeheer is niet nodig. Overdag schuilen ze onder schors of in tonkinstokken. In de winter overwinteren ze als volwassen insect in de bovenste bodemlaag.
Roofwantsen zijn curatief inzetbaar en hebben meerdere generaties per jaar. Bij toenemende plaagdruk neemt de populatie meestal toe.
Volwassen roofwantsen worden aangetrokken door bloemen en zachte insecten. Als er weinig prooi is, kunnen ze leven van stuifmeel en schimmelsporen. De eieren worden afgezet in de buurt van de plaag.
Om roofwantsen richting de plaag te sturen, kan gefaseerd maaien van bloeiende vegetatie soms nodig zijn. Ze overwinteren als volwassen insect op beschutte plekken, zoals onder schors, in hagen en tussen afgestorven plantenresten.
Lieveheersbeestjes werken curatief en kennen meerdere generaties per jaar. De populatie groeit meestal mee met de plaagdruk.
Zowel larven als volwassen insecten voeden zich met kleinere insecten. Daarnaast gebruiken ze stuifmeel en schimmelsporen als aanvullend voedsel. De eieren worden in de buurt van de plaag afgezet.
Gefaseerd maaibeheer is niet nodig om lieveheersbeestjes bij de plaag te houden. Ze overwinteren als volwassen insect op beschutte plekken, zoals onder schors en in hagen. Tijdens het groeiseizoen zijn larven vooral ’s nachts actief en schuilen ze tussen plantendelen. Volwassen insecten zijn vooral overdag actief.
Roofmijten zijn deels curatief. Ze hebben meerdere generaties per jaar, maar bouwen hun populatie vaak langzamer op dan spintmijten. Bij hogere plaagdruk neemt de populatie wel toe.
Ze voeden zich vooral met spint- en roestmijten, met een duidelijke voorkeur voor spint. Als alternatief voedsel kunnen ze kleine eitjes benutten. De eieren worden in de buurt van de plaag afgezet.
Gefaseerd maaibeheer is niet nodig. Tijdens het groeiseizoen zijn roofmijten vooral overdag actief aan de onderzijde van het blad, met name bij hogere temperaturen. In rust bevinden ze zich langs de hoofdnerf aan de kant van de bladsteel. De meeste soorten overwinteren als volwassen mijt in schuilplekken.
Zweefvliegen zijn curatief en kennen meerdere generaties per jaar. De populatie neemt meestal toe bij hogere plaagdruk.
Volwassen zweefvliegen leven van nectar en stuifmeel. De larven voeden zich met kleine insecten. Zweefvliegen zijn zeer gevoelig voor gewasbeschermingsmiddelen. Ook weken na een bespuiting kan nog toxiciteit optreden.
De eieren worden in de buurt van de plaag afgezet. Gefaseerd maaibeheer is aan te raden om voldoende voedsel voor volwassen zweefvliegen beschikbaar te houden. De larven zijn overdag meestal in rust en verschuilen zich onder takjes of in gekrulde bladeren.
Gaasvliegen werken curatief en hebben meerdere generaties per jaar. Hun populatie reageert meestal positief op toenemende plaagdruk.
Volwassen gaasvliegen voeden zich met honingdauw, stuifmeel en plantensappen. De larven eten verschillende insecten met een zacht lichaam.
De eieren worden in de buurt van de plaag afgezet. Gefaseerd maaibeheer is zinvol om voldoende voedsel voor volwassen gaasvliegen te behouden. Tijdens het groeiseizoen zijn de larven overdag vooral in rust en verschuilen ze zich in opgerolde bladeren of onder takjes. Gaasvliegen overwinteren als volwassen insect op beschutte, bij voorkeur warmere plekken.
Sluipwespen zijn curatief en kennen meerdere generaties per jaar. De populatie groeit meestal mee met de plaagdruk.
Volwassen sluipwespen worden aangetrokken door prooien, honingdauw en nectar. Honingdauw en nectar dienen ook als aanvullend voedsel.
De eieren worden op of in het plaaginsect afgezet. Gefaseerd maaibeheer helpt om voldoende voedsel voor volwassen sluipwespen beschikbaar te houden. De overwintering verschilt per soort. Dit kan op warme plekken zijn, onder schors, in hagen of in dood hout. Sommige soorten overwinteren alleen, andere in groepen. Volwassen sluipwespen zijn meestal overdag actief, afhankelijk van de activiteit van hun gastheer.
Neem dan contact op met uw adviseur.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit bericht mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.